Op zoek naar het paradijs

Dr. Claire Eager (College of Wooster, Ohio) is een van de twee fellows die de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience heeft bezocht met een ‘Thierry and Frédéric Nottebohm-beurs’ eerder deze zomer. Zij doet onderzoek naar de Engelse dichter Edmund Spenser (c.1552-1599), de auteur van onder andere het epische gedicht The Faerie Queene, en diens relatie met de Zuid-Nederlandse rederijker Jan van der Noot (c.1539-c.1595). Van der Noot was nauw betrokken bij de manier waarop zijn boeken werden geïllustreerd, gedrukt en verspreid. Toen ze hier was in juli 2019 hebben we haar geïnterviewd over haar onderzoek in de Erfgoedbibliotheek.
  • Hoe ben je gefascineerd geraakt in de vroegmoderne Engelse literatuur?

Ik was altijd al een groot liefhebber van Shakespeare. Ik ben begonnen met de studie astronomie, maar al snel kwam ik erachter dat ik geen sterrenkundige zou worden. Uiteindelijk switchte ik naar letterkunde, wat altijd al mijn favoriet onderwerp was. Ik had ook het geluk om mijn doctoraat aan de Rare Books School in Virginia te mogen doen. Ik heb een omgekeerde weg in de tijd afgelegd. Ik startte met het bestuderen van oorlogspoëzie in de twintigste eeuw en reflecteerde over de oorzaken van hedendaagse problemen, zoals oorlog, (post)kolonialisme en klimaatverandering. Ik realiseerde mij dat veel van die processen hun oorsprong vinden in de vroegmoderne tijd, toen Europa haar hegemonie over de wereld uitspreidde. Dit viel samen met een idealistisch geloof dat het paradijs ergens buiten Europa te vinden zou zijn of dat de wereld te verbeteren was. Bovenal, die vroegmoderne poëzie is mooi, de mensen zijn interessant en gewoon ontzettend leuk om te bestuderen.

  • Vandaar jouw interesse in beelden van het paradijs in vroegmoderne Engelse poëzie? Maakt het onderzoek dat je doet deel uit van een groter project?

Mijn boekproject gaat over beelden van het paradijs in de vroegmoderne poëzie. Wanneer een gedicht een landschap beschrijft en het paradijs noemt, is het niet per definitie Eden, maar heeft dit landschap prettige of paradijselijke trekken. Behalve gedrukte boeken en poëzie, bestudeer ik ook landschappen en de materiële cultuur van boeken en tuinen. Ik kijk vooral naar de interactie tussen die drie zaken bij de belangrijkste vroegmoderne Engelse dichters en naar cross-culturele verbanden in heel Europa. We mogen niet vergeten dat tuinontwerpen in Engeland kwamen overgewaaid uit Frankrijk en Italië …

  • Kan je ons iets meer vertellen over Edmund Spenser?

Spenser was een groot dichter die bijna gelijktijdig met Shakespeare leefde. Net als Shakespeare kwam hij uit de middenklasse en groeide op in Londen, waar hij een van de beste Latijnse scholen bezocht. Zijn professor Richard Mulcaster had banden met de Vlaamse immigrantengemeenschap in Londen. Al in zijn tienerjaren kreeg Spenser dus de kans om mee te werken aan Van der Noot’s editieproject en gedichten te vertalen.

Zijn eigen eerste publicatieproject, de Shepherd’s calendar (herderskalender), lanceerde hem als de nieuwe Chaucer, als de volgende grote dichter in de Engelse taal. Anders dan Shakespeare die voor het publieke toneel schreef en zijn geld verdiende met ticketverkoop, was Spenser continu op zoek naar sponsors. Omdat hij nooit kon rondkomen, zocht hij emplooi bij de overheid. De Engelse overheid zond hem als secretaris naar de Engelse ‘planter’s’ kolonie in Ierland. Spenser is een groots dichter, maar we mogen niet vergeten dat hij actief betrokken was in de toenmalige politiek en dat hij partijdig was.

Tijdens zijn ballingschap in Ierland, schreef hij het epische gedicht The Faerie Queene. Dit is een herneming van een Arthur-roman, met een jonge prins Arthur als hoofdpersoon, die avonturiert in sprookjesland. Het is een allegorie op Queen Elisabeth. Spenser looft en bekritiseert haar tegelijkertijd.

Spenser’s loopbaan eindigde nogal tragisch, al weten we niet precies wat er is gebeurd. Na een opstand in Ierland moest hij uitwijken naar Londen met zijn gezin. Volgens de legende is de grootste dichter van die tijd van honger gestorven in de straten van Londen.

  • Onder Engelse letterkundigen wordt Edmund Spenser gezien als bijna even belangrijk als Shakespeare, maar internationaal is hij veel minder bekend. Kan je ons verklaren waarom dat zo is?

Omdat hij minder toegankelijk is en moeilijker te onderwijzen dan Shakespeare, kom je hem meestal pas tegen na je bachelor, zelfs als je Engelse literatuur studeert aan de universiteit. Zijn bekendste werk, de Faerie Queene, beslaat maar liefst zes boeken en twaalf canto’s (gezangen). En dan te bedenken, dat hij die nooit heeft voltooid!

  • Hoe raakte je geïnteresseerd in Van der Noot’s Theatre oft toon-neel?

Ik merkte dat Spenser tijdens zijn loopbaan steeds dezelfde scène over een boom herschrijft, en die scène komt oorspronkelijk uit het Theatre oft toon-neel. Het Theatre is een vertaling van Clément Marot, die weer een vertaling is van Petrarca. Aanvankelijk vertaalde Spenser die scène gewoon uit het Nederlands, maar langzamerhand verwerkte hij haar in zijn eigen poëzie. Van der Noot’s boek is van grote invloed geweest op Spenser’s schrijversloopbaan. Voor mijn onderzoek is niet alleen van belang om de literaire tekst te begrijpen, maar ook om te achterhalen hoe de illustraties inwerken op de poëzie, en hoe het publicatieproject de gedichten heeft beïnvloed. Zoals gezegd was Spencer als tiener betrokken bij de publicatie van Van der Noot’s Theatre. Omdat ik vergelijkbare drukprocedés en vormen van patronage zie terugkomen in zijn latere carrière, vermoed ik dat Spenser veel heeft geleerd van Van der Noot, van het observeren van de drukkers en het hele productieproces.

  • Dus, je gaat er vanuit dat er connecties waren tussen Londen en Antwerpen in de manier waarop de boeken gedrukt werden?

Antwerpen was veel verder vooruit dan Londen in de zestiende eeuw. Drukkers op het continent in het algemeen, en in de Nederlanden in het bijzonder, waren experts in de boekdrukkunst, terwijl Londen en Engeland nog bezig waren zich die deskundigheid eigen te maken. Tijdens de Opstand tegen Spanje streek een grote gemeenschap van vluchtelingen uit Antwerpen (en Vlaanderen) neer in Londen in 1567. Van der Noort was een van hen. Het eerste wat hij deed, was een embleemboek (geïllustreerde poëzie) publiceren bij de Londense uitgever John Day. Hij was een van de beste drukkers in Londen in die periode en had nauwe banden met de Vlaamse immigrantengemeenschap. Day leerde zijn drukvaardigheden verfijnen van mensen die in Antwerpen in de boekdrukindustrie werkzaam waren geweest en wisten wat ze deden. Daarom is het voor mij zo nuttig in Antwerpen onderzoek te doen en beter te begrijpen hoe grote boekproducties in drukkerijen zoals die van Plantijn in hun werk gingen.

  • Dus daarom bestudeer je onze collecties?

De eerste keer dat ik Antwerpen bezocht, keek ik naar Van der Noot’s Theatre vanuit de optiek van een onderzoeker van de gedichten van Edmund Spenser. Tijdens het bestuderen van het boek raakte ik geboeid door de wijze waarop het gedrukt is, omdat het een uniek boek is voor Engeland. Het is vernieuwend qua druktechnieken en het is het eerste boek dat ooit met etsen gedrukt is in Engeland. Ik probeer te begrijpen hoe die etsen werden gemaakt en hoe de houtsneden werden gedrukt. Hoe meer ik kijk naar Van der Noot en de Vlaamse boekdrukkunst in die periode, hoe meer connecties ik zie tussen de gemeenschappen in Londen en in Antwerpen. Om echt goed te kunnen begrijpen hoe het boek tot stand kwam, moest ik beter vertrouwd raken met de Antwerpse boekdrukcultuur in de tweede helft van de zestiende eeuw. Dus daarom ben ik hier!

  • Een andere reden waarom je hier bent is omdat je het boek zelf moet bestuderen. Waarom volstaan digitale scans niet en kun je dat onderzoek niet in de Verenigde Staten uitvoeren?

Waar ik specifiek naar kijk, is de drukvolgorde bij het drukken van de illustraties en de tekst. Normaal gesproken drukte een drukker de koperplaten in tweede instantie af omdat dit veel duurder was en hij zijn afdrukken niet wilde verknoeien met gewone tekstzetsel. Maar het lijkt erop dat drukkers soms in de omgekeerde volgorde werkten, door de intaglio eerst te drukken en dan pas de tekst. Dit suggereert dat de Londense drukkers minder ervaren waren en gehaast te werk gingen.

Ik gebruik soms scans, wanneer dat het enige is dat beschikbaar is, maar ze kunnen nogal misleidend zijn. Het is van essentieel belang om naar het boek en het papier als driedimensionale objecten te kijken om te zien of het letterzetsel een afdruk of welving heeft achtergelaten, of of de koperplaat dat allemaal glad heeft gemaakt. Alleen dan kun je de drukvolgorde bepalen. Als je naar het fysieke stuk papier kijkt, kun je dat soms gewaar worden. Maar niet als je de scans bekijkt.

  • Ah, dus daarom gebruik je die microscoop…

Inderdaad, ik gebruik een microscoop en strijklicht. Je schijnt zijdelings met de lamp over het papier zodat er schaduwen ontstaan. Daarmee kun je zien of het glad is of of er een afdruk is. Een aantal medewerkers van de Erfgoedbibliotheek keken wat bedenkelijk toen ik dit deed. Dat overkomt mensen die boeken bestuderen wel vaker. Je bent immers niet het boek zelf aan het lezen, maar je doet vreemde dingen met het papier. Boekhistorici lezen andere dingen dan de tekst!

Meld je aan voor onze nieuwsbrief