(On)Hoofse liefde gevonden in de bibliotheek

In onze collectie zijn onlangs enkele fragmenten uit een onbekende druk van Lanseloet van Denemarken ontdekt. Onderzoeker Jorn Hubo, die de vondst onder ogen kreeg, is opgetogen. “Deze Lanseloet is een zeldzaam juweeltje.”

Jorn Hubo werkt mee aan het project Medieval Manuscripts in Flemish Collections, dat een databank ontwikkelt van alle middeleeuwse handschriften die zich in Vlaanderen bevinden. Tijdens een bezoek aan de Erfgoedbibliotheek om onze collectie oude boek- en handschriftfragmenten te bekijken, ontdekte het projectteam een colofon en titelpagina van Een seer ghenoechlycke historie vanden edelen Lantslot ende die Schone Sandryen.

Lanseloet van Denemarken

Een exact jaartal wordt niet vermeld. Toch is de vondst redelijk nauwkeurig te dateren. “De fragmenten werden gedrukt door Jacob van Breda. We weten dat hij tussen 1485 en 1518 in Deventer actief was, het grootste drukkerscentrum in de laatvijftiende-eeuwse Nederlanden. Het is duidelijk dat deze fragmenten ooit deel uitmaakten van een voorlopig nog onbekende Lanseloet-editie. Tekstueel is er een grote gelijkenis met de twee vroegst bekende edities van Lanseloet, die rond 1486-1492 werden gedrukt door Govert van Ghemen in Gouda”, aldus Hubo.

Naast de twee drukken van Van Ghemen zijn slechts vijf edities van dit meesterwerk uit de zestiende eeuw bekend. Geen enkele is in het bezit van een Vlaamse instelling. “Het komt niet vaak voor dat een onbekende middeleeuwse of vroegmoderne editie van een Nederlands literair werk opduikt. Voor de Erfgoedbibliotheek, die prat gaat op haar Nederlandstalige literaire erfgoedcollectie, is dit echt iets om te koesteren.”

Lanseloet en Sanderijn

Het verhaal gaat over Lanseloet, prins van Denemarken, die verlangt naar het dienstmeisje van zijn moeder, Sanderijn. Lanseloets moeder is geschokt door de verlangens van haar zoon en verzint een list. Ze zorgt ervoor dat Sanderijn op een nacht naar zijn kamer komt, zodat hij met haar kan doen ‘wat hij begeert’.

De enige voorwaarde is dat hij zich daarna van haar afkeert. Na die nacht, waarin Lanseloet Sanderijn verkracht, vlucht zij naar Afrika. Daar vraagt een ridder haar ten huwelijk. Lanseloet beseft dat hij haar nooit zal terugzien, en sterft aan een gebroken hart.

Lanseloet duikt voor het eerst op in het zogenaamde ‘handschrift-Van Hulthem’ uit het begin van de vijftiende eeuw. “Het is een van de vier ‘abele spelen’ (toneelstukken) die in dit Middelnederlandse handschrift zijn opgetekend. Opvallend is dat dit vroegste toneel wereldlijk (en dus niet religieus) is. De gevolgen van Lanseloets amorele, onhoofse daad staan centraal: hij maakt zijn eigen liefde onmogelijk vanwege de grote misstap die hij begaat. Dit tragische karakter is wellicht de verklaring waarom het verhaal als enige van de vier abele spelen ook later populair bleef”, zegt Hubo.

Helden in Harnas

Toeval wil dat de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience een tentoonstelling voorbereidt waarin ridderverhalen die in de zestiende eeuw in Antwerpen werden gedrukt centraal staan. Boekdrukkers in die tijd pasten dit bij uitstek middeleeuwse genre aan de veranderende smaak in de maatschappij aan. Ook al ligt de grote bloeitijd van de ridders al meer dan vijfhonderd jaar achter ons, tot vandaag spreken deze middeleeuwse helden tot de verbeelding. Hoe dit komt? Je ontdekt het in de expo Helden in Harnas die op 29 oktober 2021 opent.

Meer informatie

  • Beckers, Jo. “Enkele opmerkingen bij Een seer ghenoechlike ende amoroeze historie vanden eedelen Lantsloet ende die scone Sandrijn (± 1486). Van hoofse toneeltekst naar leestekst voor burgers?” in Literatuur 6 (1989), p. 222-228.
  • Salemans, Benedictus Johannes Paulus. Building Stemmas with the Computer in a Cladistic, Neo-Lachmannian Way. The Case of Fourteen Text Versions of Lanseloet van Denemerken. 2000. Katholieke Universiteit Nijmegen. PhD dissertation.
  • Koch, Anton C-F., “Jacob van Breda” in Post-incunabula and their publishers in the Low Countries: a selection based on Wouter Nijhoff's L'art typographique, Hendrik D.L. Vervliet (ed.)The Hague : Martinus Nijhoff, 1979, p. 120-122.

Meld je aan voor onze nieuwsbrief